DE TREIN

 

Dit verhaal wordt pas interessant als je Nederland en België topografisch een beetje kent. Conducteurs, truckers, vertegenwoordigers, snelkoeriers en aardrijkskundeleraren van de ouwe stempel kunnen hier hun hart ophalen.

Maar met een navigator lukt het natuurlijk ook.

 

EEN STUKJE HISTORIE

 

Ooit schreef ik een opstel waar ik een 5 voor kreeg. Volgens de meester had ik alleen maar een stukje landkaart overgeschreven. Hij kon natuurlijk niet weten dat ik al die reisjes nog eens zou maken, van Nieuweschans tot Poperinge, van Eijsden tot de Koog en zo'n beetje alles wat daartussen ligt. Want wat is het een heerlijk gevoel te weten waar je woont en wie je medelanders zijn! Toegegeven; ik zit ook wel in een uitzonderlijke positie, muziek maken voor mensen uit alle (Nederlandstalige) windstreken, da's ronduit genieten.

 

DE HASJDEMONSTRATIE

De eerste keer dat ik blowde in de trein was toen de 30 gramswet erdoor kwam. Wij vonden dat véél te weinig dus werd er een demonstratie opgezet in Den Haag, georganiseerd door verschillende Jongerencentra zoals de Tagrijn in Hilversum, de Vliegende Hollander in Groningen (7 bussen uit de Martinistad) en het Paard van Troje in Den Haag om de ONSWET af te dwingen.

Wij besloten met 4 man uit E. te gaan demonstreren met de trein. (Elke gebruiker was wel eens een dealer anders was er geen gram in het land, dus de meesten hielden zich gedeisd) Alleen wij dus, de dapperen.

 

Terwijl wij van het station naar het verzamelveld liepen werden wij onderweg staande gehouden door een beklompte afvaardiging van JC De Tjalk uit Alblasserdam waarmee wij zittend op de stoeprand van het Haagse om half tien 's morgens een uit de kluiten gewassen waterpijp consumeerden.

Aangekomen ging de mars van het verzamelpunt Malieveld naar het Binnenhof, met spandoeken waarop "STUF VRIJ, ALLEMAAL BLIJ" stond en een busje dat de stoet opende met een pijp erop ter lengte van de hele bus waaruit op gezette tijden rook en confetti werd geknald.

 

Op de Binnenhofse binnenplaats aangekomen streken wij met 2500 man neer op de keien nadat onze petitie was voorgelezen aan de aanwezige staatssecretaris. Er werden waterpijpen en zitkleedjes tevoorschijn gehaald en al gauw leek het binnenhof een hippie-meeting. Toen de wolken lustig opstegen begon de shitloterij. Theo Stuf verlootte drie kilo hasj, uiteraard in stukjes van 25 gram. De lootjes kosten een gulden en ook ik had er 5 gekocht. Er waren al verschillende prijzen gevallen maar niemand kwam ze ophalen, uit vrees voor de haag van politie te paard vóór het bordes.

 

"831 crème de bananes" riep Theo om en ik keek naar mijn gele briefjes...

Raak! Ik maakte mij los uit de menigte, drong naar voren tussen de paarden door om mijn fortuin in ontvangst te nemen. Toen ik weer de trapjes af wilde werd ik staande gehouden door een televisieploeg die vroeg wat ik gekregen had.

Ik opende het aluminiumfolie en zei "Maroc" terwijl Theo stond te roepen;

"25 gram gele Libanon voor onze protestzanger!"

 

Later in de trein kwam de conducteur om de hoek met:"Mag ik erbij komen zitten, ik ben ook maar een domme jongen." Hij bleek uit Venlo te komen en wist wel dat het met shit zo'n vaart niet liep. "Nee, hij had er wel eens een van de plee bevrijd met een spuit in zijn arm; dàt was kwalijk!"

Wij staken net de chillum aan, dus in no time kon je elkaar niet meer zien in de coupé. De conducteur was niet meer weg te slaan, wij bouwden gewoon door met de deur dicht en toen we in Tilburg waren vergat hij de trein weg te fluiten. Na zo'n 10 minuten zei een van ons: "Wat staan we hier lang, zeg!" en hij schoot in de versnelling.

We gaven hem nog een stukje van het plaatje dat ik gewonnen had met de mededeling:"Moet je roken voordat je naar bed gaat; word je goed geil van!" Zorgvuldig draaide hij het stukje in een vloeitje en stopte het weg in zijn pakje apenhaar.

Wéér iemand gelukkig!

 

DE AUTO AAN DE KANT

Maar het frequente treinrijden begon in de vorige eeuw in 1987, ik leefde alweer twee jaar alleen, en ik besloot de auto aan de kant te zetten, na 25 jaar met het vehikel te zijn gaan optreden.

Dat werd trouwens niet alleen veroorzaakt door mijn zorg om het milieu doch ook omdat de auto op was en omdat het de 2e keer was dat ik gepakt werd zonder APK.

De eerste keer langs de snelweg, 120 piek, de tweede keer 2000 maar omdat de auto op naam van mijn pa stond glipte ik daar net onderuit met een gelijke boete als de eerste maal.

 

Het vond plaats in Nijmegen. Ik moest optreden in het beroemde Kraakcafé de Onderbroek.

Hartje stad had ik ineens een politiekarretje aan mijn staart. Ik zwenkte meteen de eerste parkeergelegenheid in, wat een opening in de winkelgevels bleek te zijn die langzaam naar boven liep.

Bovengekomen kwam ik op een platdakparking uit waar op elke hoek een agent op wacht stond, zes in totaal.

Paniek!

 

De autopetten waren ook achter mij aangekomen met het bekende rode knippertekstje  en nadat ik uitgestapt was toonde ik mijn papieren. Géén APK! Terwijl de ene diender mijn bekeuring uitschreef, zei de andere, terwijl hij op het achterspatbord duwde waardoor de auto zo'n vijf keer op en neer hupte alsof het een kaatsebal was:"Collega, dit voertuig moet van de weg!"

Ik zei dat ik dat ook wel wist maar of ik er dan straks nog mee naar huis mocht rijden, dan zette ik hem aan de kant.

"Okay, je ziet maar hoe je thuiskomt."

Dat was fideel. En hun vertrouwen bleek niet vergeefs.

 

Na het optreden liep er een kraker met me mee naar de auto die me vertelde dat zij het gebouw waarop ik geparkeerd stond ook wilden kraken en dat er daarom zoveel politie was.

En daar moest ik juist parkeren.

Het was half drie, ze stonden nog trouw op wacht en lieten mij glimlachend vertrekken.

 

Ik had schoon genoeg van die machines, de maat was vol.

Ik verkocht de auto, kocht een fiets voor in de stad en een NS Dalurenkaart voor daarbuiten. Eerst las ik d'Allurekaart en ik mijmerde over mensen met allure, die nooit vóór 9 uur de trein namen of in het spitsuur.

Mijn fiets werd binnen de kortste keren gejat, de tweede ook dus besloot ik binnen de bebouwde kom de bus te nemen, stonden die op stal ging ik lopen of als ik het even ruim had nam ik een taxi.

 

Aangezien ik in de auto zo'n 1000 km per week draaide voor de muziek en aanverwanten stelde ik mij tot doel ook in de trein zover te reizen.

Ik reisde eerste klas met korting (onder voorbehoud dat ik genoeg pegels bezat). Als iemand vroeg waarom ik dat deed haalde ik de filmregisseur John Huston aan die zei:"Son, give 'em a good show and always travel first class."

Ik werd een fanatieker. Achteraf bezien moet ik mijn vrienden en kennissen bekennen dat ik er wel wat rigoreus tegenaanging als ik vroeg: "En waarom heb jij je auto nog niet verkocht, wat is jouw smoes dat ik 'm even kan ontzenuwen?"

Ik wilde ondanks mijn veranderde manier van verplaatsen op de hoogte blijven van wat er onder het volkje leeft in Nederland en Vlaanderen.

Het ergste wat je als artiest kan overkomen is dat je mensenschuw wordt door de roem, zoals dat zovelen overkomt, waardoor je geen stof meer opdoet voor je nieuwe liedjes.

De eerste dag met de trein was het al meteen raak, want toen ik thuiskwam had ik mijn eerste genuine trainsong.!

 

CUPDAG

 

Het was bij de bushalte, dat ie mij aansprak, keurig in het pak

En hij was al 78, maar de driften plaagden hem geestdriftig

En hij had zojuist condooms gekocht voor zijn vriendin

Die hij dadelijk bezocht

En ik zei "Ik ga naar Venlo toe."

Nou daar was hij het eigenlijk net moe

"Maar ik ga voor de hasjiesj" liet ik mij uit

Dat vond ie vreemd, ik was toch niet Duits

 

De ouwe knar vertelde mij dat ie ook nog in Venlo gewoond had, op de Tegelseweg 77.

Ik zei: "Ik ga naar nr 13, Theehuis Nobody's Place waar mijn vriend Henk de scepter zwaait."

"De Tegelseweg 13, daar woonde vroeger de Weduwe Stoot, die heb ik ook nog wel eens opgeschreven!" zei hij met een ondeugende grijns.

Verificatie later bij Henk bracht aan het licht dat er vóór zijn Theehuis inderdaad een Weduwe Stoot gewoond had.

 

En in Venlo rookte ik mijn kanis vol, ving de terugreis aan met de grootste lol

En een drietal fans reisde met mij mee, voor een boete, een joint en PSV

 

("Wij rijden met Armand mee, dat is ons wel 40 piek waard en dan gaan we op stap in Eindhoven want Philips wint toch!" En inderdaad, onderweg, ter hoogte van Deurne kwam de HC; de HoofdConducteur, boetes schrijven en ons vertellen dat ze gewonnen hadden tegen Portugal.)

 

Ouwe baas, hete haan, ga er flink tegenaan

Lach maar om je opgedroogde tijdgenoten

Je voorbeeld was me meer waard dan die ene fotokaart

'k Maak jou onsterfelijk, ik zet je op noten

 

's Avonds, in het trendcafé

(niet nader te noemen drankgelegenheid te E.)

won men de cup en de neuzenclub

Maakte een extra rondgang langs de plee

En ik dacht aan de tijd dat ik ook meedee

En m'n wijf niet eens meer naaien mocht

Als ik niet genoeg neus had gekocht...

 

REISDOELEN OF DE REIS IS HET DOEL

 

In het begin van mijn tijd tussen de rails bleef ik nog redelijk dicht bij huis, behalve wanneer ik moest optreden natuurlijk, want ook al genoot ik korting; treinrijden was niet goedkoop. Ik maakte dankbaar gebruik van het avondretour waar je de prijs van een enkeltje voor betaalde wat om 19:00h inging maar waarmee ik altijd wel een beetje smokkelde.

Soms zat ik zo slecht bij kas dat ik zwart reed naar de gig; uit noodzaak.

Ik ben ook verschillende keren ontzien als de omstandigheden duidelijk werden.

"Nee, ik hèb niks, ik ga ze nú verdienen; hier is mijn gereedschap." terwijl ik wees naar mijn gitaarkoffer.

 

Het idee gaandeweg gigs te scoren was nog niet bij me opgekomen en ik pendelde vrolijk elke vrije avond naar een buitenlokaalse koffieshop waarvan ik al gauw de laatste treintijden naar E. uit mijn hoofd kende; (De Highlander) Tilburg 00:38h, (Het Paradijs) Breda 00:20h, (Jump) Den Bosch 00:55h, (Sticky Fingers) Maastricht 23:54h, (Andersom) Utrecht 00:20h, (Piramide) Roosendaal 23:25h, (Nobody's Place) Venlo 22:52h om er een paar te noemen die ik mij nog herinner.

 

Toen ik auto begon te rijden in 1966 had bijna geen enkele stad een ring; je moest altijd door het centrum om naar de volgende stad te reizen. Allengs, met het klaarkomen van de verschillende rond- en snelwegen ging je eigenlijk alleen maar van jouw plaats naar de stad van je bestemming; van de huiskamer naar de kleedkamer en weer terug.

Het duurde niet lang voordat ik elk stadscentrum weer op  mijn duimpje kende, oude bekenden terugvond en mij verbaasde hoeveel gezellige plaatsen er zijn in het Nederlandse alleen al.

En ik reed altijd achteruit, een blind vertrouwen in de machinist en achteruit is er altijd wel een plaatsje vrij, om Drs. P. nog eens aan te halen.

 

Als 'train buff' geilde ik op het treinrijden an sich, altijd met de modelspoorweg gespeeld en van bovenaf naar de treintjes gekeken en nu zat ik er zelf in! En de keren dat ik meemocht van de Meester op de bok herinner ik mij alsof het gisteren was.

De nachtelijke rit door de sneeuw boven in de koploper, 4 m. boven de rails.

Mee in de aftandse Franse 1100 serie, een elektrische vierasser die over de rails danst als een ballerina, zo rechthoekig als een boxcamera met emaille en gietzijzer ipv plastic in de cabine of het dieseltje (motorwagen) van Venlo naar Roermond waar geen bovenleiding was, de koplampen die de rails schaars verlichtten tussen de bomen en de struiken aan weerskanten, nèt het Wilde Westen!

 De Meester wilde dan altijd praten over muziek, ik was veel meer geïnteresseerd hoe zo'n ijzeren paard functioneerde, dus bleef ik maar vragen afvuren over de schakeling, de verlichting, het aantal motoren, gewicht, asdruk, de enorme trafo's, spoorbreedten en al dan niet automatische koppelingen.

Dat meerijden lukte echter maar zelden, verboden begrijp je.

 

SPOORROMANTIEK

En dan dat sfeertje op de stations 's avonds, als ik weer eens een half uurtje of wat op aansluiting moest wachten, lekker naar het eind van het perron kuieren, tot het bord met het mannetje met uitgestrekte armen en op je gemak genieten,  lekker paffend kijken naar de overkapping, alle kleuren lampen en lampjes, bedoeld om mensen dingen te doen kopen terwijl jij alleen het kleurenspel digt, doordenderende goederentreinen die een onwerkelijke stilte achterlaten als ze voorbij zijn, late gesprekken met late mensen in goed opgestookte, gemeen verlichte wachtkamers 's winters...

 

 

En het is zoals Paul Theroux, de treinreisschrijver bij uitstek (De Grote Spoorwegcarroussel, Riding the Iron Rooster, The Old Patagonia Express etc. etc.) eens opmerkte:"Ik koos treinen, ik ontmoette mensen."

Vrienden en kennissen die ik jaren niet meer ontmoet had, nieuwe vriendschappen met de meest uiteenlopende vogels en natuurlijk komische voorvallen.

 

 

DE HC (HOOFDCONDUCTEUR)

Daar was als eerste categorie natuurlijk het NS personeel, waarmee ik dagelijks te maken had. Toen ik eenmaal na mijn Dalurenkaart een Jaarkaart had vond ik het jammer dat ik het loketpersoneel enigzins verwaarloosde, maar dat was de consequentie.

Het begon al op het perron met de begroeting door de stationchef en de man met de gele pet en bij de koffiejuffrouw die altijd wel een bakje met een broodje kon slijten. Dan de HC.

"Hallo, rij JIJ met mij mee, dan kom ik dadelijk even buurten." Als dat gebeurde legde ik mijn schrijfboekje weg, dan moest het zo zijn. Behalve die keer dat ik even naar de WC geweest was en ik zei; even iets opschrijven! "Wat heb je nou staan?" vroeg hij nieuwsgierig, en ik las voor:"De trein lijkt wel een snuifcafé, er zit geen slot meer op de plee!" Ik vond het nl. heerlijk in de trein liedjes te maken; talloze rijmpjes die ik op een goede dag samenbundelde in dè rapsong, die uiteindelijk anderhalf uur lang werd en waar ik, vnl. in de trein, anderhalf jaar aan heb geschreven, maar daarover later meer.

 

(Ad Visser heeft dat onlangs ook gedaan maar ja...

Niet in vier talen door elkaar.)

 

Je kon blowen in de trein. Of laten we stellen; het werd oogluikend toegestaan. Wat weer afhing van de conducteur zijn persoonlijke instelling. En van de SP natuurlijk; hier staand voor Spoorweg Politie.

De ontmoeting met de spoorwegpolitie zorgde ook altijd voor totaal verschillende reacties. Eens in een Moderne Duitse werd ik bijna aangevallen door die dienders toen ik een chillum zat te bouwen, een andere keer vroegen ze beleefd of ze erbij mochten komen zitten.

 

Dat was de keer dat zij mijn advies vroegen omtrent de moeilijkheden met de hooligans, hoe zou ik dat nu oplossen?  Ik zei; in elke hondenkop een koffieshop. Ik had nl onlangs in een supporterstrein meegereisd uit Rotterdam, Nationale wedstrijd, iedereen in het Oranje en buitengewoon uitbundig.

"Heb je niks te blowen?" was de vraag.

Dus had ik tien supporters in mijn coupé plus een niet dienstdoende conducteur in het oranje die vanwege zijn camouflage het luidruchtigst was van allemaal.

Toen wij uitstapten te E. begon hij op de deur van de plee te bonken en riep:

"We zijn er, kom er maar uit!" Zonder kaartje van Rotterdam naar E. op de plee.

Ook buiten dienst hield hij de boel in de gaten...

 

 In het begin werden er door de HC's nog weleens opmerkingen gemaakt dat mijn rokertje stonk en zo, maar toen ik zo'n jaartje meereed; nagenoeg elke dag en men de geur een beetje begon te kennen vroeg de HC als ik niet blowde: "Ben je ziek?"

Met legio HC's heb ik dan ook mijn rokertje gedeeld op bijna alle trajecten van Nederland.

Ook in België stak ik regelmatig een chillumpje aan; gebeurde er niets, niks aan de hand. Zou ik gesnapt worden was dat goed voor tenminste 5 Belgische kranten en tijdschriften dus waarom niet? Maar het mocht niet zo zijn...

 

En het avontuur met HC lange Harry!

In de laatste trein naar E. zat ik met dienst en geen dienstdoende HC's in een knusse 6-persoons. Ik had een goeie Chillum gebouwd en vroeg beleefd of er iemand mee wilde blowen. Dat wilde Lange Harry wel. Thuisgekomen gingen wij ieder ons weegs.

De volgende dag werd ik op het station aangeklampt door de eerste de beste NS-vogel die mij vroeg:"Wat heb jij met Harry gedaan??"

 

Ik was mij van de prins geen kwaad bewust, maar het scheen dat hij nogal moeite gehad had om thuis te komen.

Toen ik hem later weer in de trein had kwam zijn relaas.

Hij moest op de fiets naar huis. Nadat hij was weggefietst van het station kon hij na een paar honderd meter niet langer peddelen en was afgestapt om de reis met de fiets aan de hand te vervolgen.

"Ik dacht, wat is dat nou, ik blow al twintig jaar; hup op de fiets!"

Waarop hij het wederom geen honderd meter volhield.

"Nou, en toen ben ik maar gewoon naar huis gelopen, de fuck!"

 

En de zoveelste conducteur die in de trein naar Hilversum binnenkwam met "Mag ik U eens 'n vraag stellen?"

Ik dacht meteen aan het Ben-ik-te-min fenomeen maar hij zei:" Heeft iemand u ooit verteld dat u sprekend lijkt op Lodewijk de Veertiende?"

Nee, zei ik, maar dat vind ik zelf ook.

(Saillant détail: gezouten stukje, onlangs op onze honeymoon; lune de miel

-géén joke-, in Normandië/Bretagne werd ik op de Mont St. Michel in een souvenirshop meegesleurd naar een reusachtige gobelin door twee chicks die dat eveneens geconstateerd hadden en een geweven afbeelding van de zonnekoning als bewijs aanvoerden.) And all is vanity.

Zeker als je ook nog wordt herkend door 'n stel Belgische fans die je komen vertellen dat ze je gezien hebben op Dranouter! (80.000 man publiek, ook vrouwen natuurlijk)

 

Het was in de tijd dat de OV-kaart voor studenten werd ingevoerd en al gauw gingen alle studenten interlokaal stappen wat een integratiegebeuren opleverde dat sindsdien zijn weerga niet kent (autoriteiten geschrokken, het verdeel en heersprincipe doorzien) Niet alleen het andere locaties verkennen doch ook het gevoel dat daarbijhoorde want uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde; vrienden maken. Maar NS vond dat zij teveel hinder ondervond van die blagen dus werd men voor de keus gesteld; een doordeweekse òf een weekendse OV-kaart.

En de interlokale integratie was weer verleden tijd.

 

Ik zat het liefste in een afgesloten 6-persoons compartiment waarvan er slechts één of twee per bak (wagon) rokerscoupé was dus meestal spurten om er een te bemachtigen en dan vlug alle stoelen volgooien met jassen tassen en koffers dat ik lekker alleen zat en rustig mijn pijp kon schoonmaken, mijn tabak kon drogen, 'n kruimeltje plegen, het doekje nat maken met de daarvoor aangeschafte Spa Blauw (één keer gedaan onder de pleekraan GEEN DRINKWATER maar dan rook je zware metalen) en een knetterende blow nemen. Meestal liet men mij met rust; de klink al in de hand om binnen te komen, binnenkijken en toch maar verder lopen alhoewel bij sommigen de nieuwsgierigheid sterker was.

 

Dan volgde de confrontatie. Eerst de onuitsprekelijke stank van drogende tabak of wat ze erop geflikkerd hebben en dan de paf.

Alles blauw. Sommigen draaiden dan het raam open. Daar was ik op voorbereid. Altijd de overjas aanhouden. Totdat een medepassagier vroeg aan de opendraaier of het raam dicht kon bij 5 graden en 140 km/u.

 

Na verloop van tijd schafte ik dus een jaarkaart aan.

Met de jaarkaart kon ik ècht op verkenning uit. Ik besloot gewoon de trein te nemen naar een willekeurige plaats, de plaatselijke koffieshop op te zoeken en te proberen er een optredentje uit te slepen. Dat lukte veel beter dan ik aanvankelijk gedacht had.

Omdat ik zoveel jaren in de handel gezeten had en mede door mijn journalistieke werk voor het wietblad Highlife vonden de heren koffieshophouders het een eer mij te mogen begroeten. En was hun shopje te klein, vroeg ik wanneer het tig-jarig bestaan gevierd werd want dan huurden ze meestal een zaaltje af.

 

 

FRANSJE

Toen ik mij eens in koffieshop Siberië te Amsterdam liet  ontvallen dat ik de volgende dag Deventer ging verkennen werd mij aanbevolen even langs Fransje te gaan die ook wel een optreden zou kunnen regelen. De volgende dag toog ik naar Deventer en in de trein van Amersfoort naar Apeldoorn was ik niet de enige die zat te blowen. Een man van rond de 35 met cowboylaarzen en een stetson pafte er ook lustig op los. Aangekomen vroeg ik de treintaxi mij naar de plaatselijke koffieshop te brengen en na een check bij zijn collega hoorde ik die zeggen:"Breng 'm maar naar Fransje!"

 

Toeval bestaat niet en zo kwam ik terecht bij koffieshop De Blikken Deur, een prachtige tent met met een blikken voordeur, oosterse bogen boven de bar en koperen lampjes met gekleurd glas, waar ik verwelkomd werd door dezelfde man die bij me in de trein zat te blowen.

Ik zei dat ik zijn adres in Amsterdam gekregen had, dat ie de groeten kreeg en polste hem over een optreden. Nee, daaraan deed hij niet.

Waarop ik antwoordde:"Mooie lul, die Jan van Siberië om mij voor de kat zijn viool naar Deventer te sturen!"

Dat werkte.

Als ie klaar was zou ie me meenemen naar Bep haar café en het Zaut der Aarde, daar zou wel een gig te versieren zijn. (Ja hoor, dat schrijven ze met AU net als wijlen Het Noorderligt in Tilburg, WAT VERDWENEN IS is een goed boek van Pramoedya Ananta Toer)

En toen ik ook nog langs mijn neus weg zei dat ik architect had willen worden liet hij mij onderweg (het regende pijpestelen) op z'n gemak alle historische gebouwen van Deventer zien en kreeg ik het complete verhaal over Kiek in de Pot te horen. (Méér weten? Deventer bezoeken!)

 

Toen ik gespeeld had bij Bep, een paar maanden later, veranderde hij overigens van mening en vroeg hij me of ik ook in zijn shop wilde optreden.

Als cadeautje voor zijn klanten.

De bewuste dag stond ik voor 2 man publiek en het personeel.

Hij bleek in het geheel geen reclame gemaakt te hebben; dan kwamen er toch maar vogels op af die normaal nooit zijn koffieshop bezochten maar zijn vaste klanten kregen bij hun zakje wiet een gig van Armand.

 

MET STEVE EHRLICH OP DE KOFFIESHOPTOER.

Steve Ehrlich ("My name means HONEST!") was student. Hij leerde voor onderwijzer, kwam uit Los Angeles en was naar Spanje gegaan om zijn Spaans op te schroeven anders ben je nergens in L.A. waar 50% van de bevolking gewoon Spaans spreekt (veroverd gebied op de Mexicanos, dáárom!) en via Torhout-Werchter was hij in E. terechtgekomen. Ik ontmoette hem in de Eurogarden (koffieshop; géén Chinees restaurant!) en nadat ik hem mijn laatste CD in 7 talen verkocht had stelde ik voor hem mee te nemen op de interlokale koffieshoptoer en een blowtje te maken in de trein. De enige trein op de wereld waar dat kon...

 

Wij vertrokken uit E. richting het Westen en uiteraard werd er een Joint gebouwd. Toen we lekker zaten te paffen in zo'n hele lange coupé zag Steve in de verte de conducteur aankomen en gaf onopvallend de joint meteen aan mij.

Ik nam een goeie suck en inmiddels was de conducteur, mijn goede vriend Theo, zo dicht genaderd dat ik hem een blow aan kon bieden. Hij pakte de joint aan, nam een flinke haal en gaf hem weer door aan Steve, die baffled keek, om niet te zeggen flabbergasted!!

Trots zei ik:"Welcome in the Free State!"

"Waarin een klein land groot kan zijn!" zou Willemien gezegd hebben.

 

En omdat je eerste klas reist kom je buiten wat excentriekelingen een leger uitgesproken ballen tegen; managers, bestuursleden, bankdirecteuren etc.

 

DE KIST

 

Ik had besloten om in Rotterdam een blowtje te gaan maken.

Hij kwam uit Keulen en had "een kist naar Londen" gemist dus had hij de trein naar Hoek genomen om met de boot naar Engeland te gaan. Hij woonde al jaren op de Antillen en was de mening toegedaan dat Antillianen nèt Limburgers waren.

"Verklaar u nader" zei ik en hij antwoordde dat Antillianen nèt als Limburgers altijd de achterdeur open laten.

Ik ging flink af zitten geven op het vliegverkeer, de enorme rotzooi die op kritieke hoogte blijft hangen en warming-up veroorzaakt, het feit dat over vliegtuigbrandstof geen belasting wordt betaald en dat ze op je kop kunnen vallen waarom je niet gevraagd hebt en wat dies meer zij.

 

Hij hoorde mij glimlachend aan, genoot mee van mijn chillumpje hasjiesj en nodigde mij uit langs te komen als ik op de Antillen was.

Toen ik in Rotterdam uitstapte, gaf hij mij zijn kaartje wat ik in mijn portefeuille stopte nadat ik hem de hand had geschud en goede reis had gewenst.

Later, in de koffieshop haalde ik het kaartje tevoorschijn.

Er stond op: Bastiaan Versteeg; Director Aruba Air.

Làchen!!

 

Wat ook zeker niet mag ontbreken was mijn reis met een niet nader te noemen vrouwelijk CDA Europarlementslid.

Om een uur of twee op een doordeweekse dag op weg naar Amsterdam.

Nadat ik had opgemerkt dat ze zo vroeg op de dag in no time haar 2 wijntjes achterover had geslagen rechtvaardigde zij dat met het verhaal dat ze naar de begrafenis van een goede vriendin in Amsterdam moest.

"Typische alocholistensmoes!" liet ik mij ontvallen, waarop ze begon af te geven op mijn pijp die lustig stoomde.

Ik zei haar dat zij, als Europarlementariër de plicht had om op de hoogte te zijn van dit fenomeen, sterker nog, dat zij, als mijn vertegenwoordiger bij de Europese raad wel eens wat duidelijker het tolerante standpunt van Nederland kon uitdragen, dat er in Brussel eigenlijk alleen maar ellenlang geouwehoerd werd om het salarisstrookje hoog te houden, dat ook zij uit haar neus zat te vreten omdat ik niets concreets vernam uit die hoek.

Ik werd op een onverwachte reactie getrakteerd.

"Als je maar niet denkt dat ik terugga achter de kookpot!!"

Waarmee ze voor mij haar overbodigheid in Brussel nog eens benadrukte.

En van die talloze andere leeglopers die mooi weer spelen van onze centen.

Op dat punt had Pim gelijk. Saneren die hap.

 

WAT ZIJN WE KLEIN...

 

Soms heb ik dat nodig. Even de realiteit diggen, uitkijken over het water dat strekt zover het oog reikt en beseffen dat we boffen; zo dicht bij de zee, een minuscuul dijkje wat ons scheidt van het grote grote water en de helft van de bevolking die leeft op de zeebodem, lef hebben we wèl, al wordt het alom in de wereld als waanzin bestempeld. Dat mensen hier überhaupt nog rustig slapen, vreemder nog; zich drukmaken over terrorisme en dergelijke schaarse incidenten terwijl altijd het water dreigt.

 

DE ZEE

Vlissingen, mijn korste afstand tot de zee. Echt ouderwets treinrijden. Tweemaal overstappen op 150 km, een rechtstreekse verbinding van Zuidoost naar Zuidwest bestaat nog steeds niet, hinterland weetjewel, ipv de Betuwelijn...

En dan, na Bergen op Zoom, Zeeland in; de dijk op.

Waar ik altijd denk aan Piet Mijler, vader van mijn pa z'n kameraad Jan, die machinist was in Roosendaal. Als ze de dijk op moesten met de stoomlocomotief waaide het soms zó hard dat de Meester met de stoker mee moest scheppen om het beest op stoom te houden. Ruige tijden.

 

Eenmaal in Vlissingen het thuiskomgevoel in de restauratie, waar Eddy regeerde en steevast sixtiesmuziek werd gedraaid. Ik heb er menig vers visje verorberd op muziek van Buffalo Springfield en Eddy heeft nooit bezwaar gemaakt dat ik na het diner een rokertje opstak.

En dan de dijk op; over de sluizen waar je alleen als voetganger of fietser over kan; naar het eiland. Want Vlissingen IS een eiland. Daarom konden de Geuzen zich daar ook terugtrekken in de tijden van weleer.

Dat sta je te mijmeren als je wacht tot de sluis weer dicht is als er een vissersboot binnenkomt.

Over de zeedijk met een boog naar het stadje, zo'n kilometertje of wat langs het water waar je aan de overkant Breskens (Bresjes) ziet liggen, het volk dat niet als Zeeuwen wenst te worden aangesproken; zij zijn immers Zeeuws-Vlamingen!

Tot je, dijktrappetje af ineens midden in het centrum belandt.

 

Eens, bij zwaar stormweer, toen niemand zich op de dijk waagde, toch over de sluis (goed vasthouden aan de railing, eerst over de betonnen balk die bovenop de sluisdeur ligt, de volgende sluis over een soortement van rasterwerk waar je zo'n 5 meter beneden je het zwarte water ziet kolken!)  en daarna op de zeedijk terwijl de regen als naalden in je gezicht prikt bij een woeste zee, genieten van die joekels van zeemeeuwen die acrobatische toeren uithalen op de wind. Fenomenaal!

Om half verzopen hartelijk ontvangen te worden in café de Hoppit wat "donder op" betekent met een knipoog naar de Hobbit, het oudste blowcafé van Vlisjes waar het plaatselijke blowvolk zich vermengt met de buitenlandse zeelui. Ooit gesloten voor de blow, gekraakt en hardhandig schoongeveegd door de ME, opnieuw gekraakt en maar met rust gelaten toen de 30-gramswet een feit werd. De Hoppit aan de Walstraat stond op mijn blowmonumentenlijst.

 

Ook Zutphen komt in aanmerking vanwege het nostalgisch karakter wat herinnert aan de allereerste blowgelegenheden.

"Koffieshop?"

De TT-chauffeur zei dat ik daarvoor geen taxi hoefde te nemen; de straat uit en dan links kwam ik terecht bij Theehuis Duckshop.

Een oud, statig herenhuis met hoge ramen, fauteuils en banken waar mensen onderuitgezakt waterpijpen zaten te roken, achterin een paar poolbiljarts en er werd lustig geschaakt en gedamd tussen de dampen door.

Op de muren schilderingen van pyramides, palmbomen, prehistorische landschappen met uitgestorven diersoorten en tropische zandstranden.

Ik ging op een kruk aan de begin vorige eeuws aandoende bar zitten en keek omhoog.

Achter de bar stond een jongeman met een kop koffie tegen de muur geleund.

Boven de bar hing een gouden hart van wel 'n halve meter doorsnee in rood fluweel met een gouden bies omrand. Erin stond met gouden letters:

Take Your Time.

Dus bouwde ik op mijn gemak een joint, rookte hem op mijn gemak op terwijl de man achter de bar vriendelijk glimlachte en toen ik na zo'n half uur aanwezigheid aanstalten maakte om nog zo'n zeppelin te fabriceren zei hij:

"Wil je misschien iets drinken?"

Inderdaad, Take Your Time, het leven is te kort om haast te hebben.

 

Terug bij het station. Het traject Zutphen-Deventer was gestremd.

treft het toeval dat ik in de trein stap met een stelletje Tex Mex muzikanten, de ene op plukbas (contrabas) en de andere op trekzak (accordeon).

Een hunner vroeg de medebalendepassagiers of zij bezwaar hadden tegen een moppie waarop iedereen elkaar aankeek met een blik van Hè gelukkig, in ieder geval wat afleiding. Hoe mensen zich schikken in hun lot en blij zijn met tijd!

 

En los ging het gedender. De muziek dan. Of ik ook een moppie wilde doen; de onvermijdelijke vraag!

Dus vroeg ik zijn accordeon en speelde een vrolijk walsje. Verbazing alom. Niet zoveel mensen weten dat ook ik op de trekzak begonnen ben.

Blijken het kennissen te zijn uit  Café Loonies in Nijmegen, waar ik ook wel eens optreed. Zij zingen prachtige nummers waarvan ik me één refrein herinner:

Geef de armen benen

Voeten om te gaan

Laat ze niet langer lenen

Maar op eigen benen staan

Café Loonies verkocht bier onder de naam "Het Elfde Gebod" (Gij zult genieten)

Naast de Elfdegebodsposter hing een poster met "Het Twaalfde Gebod"; Gij zult na het elfde gebod niet fietsen.

 

NOBODY'S PLACE

En zéér vermeldenswaard is ook Theehuis Nobody's Place.

En de manier waarop wij kennismaakten d.w.z. Henk Nobody en ik.

Op een dag, ik was nog getrouwd en had het ècht niet breed vanwege de grote neusgaten van mijn destijdse eega, kwamen er twee vogels bij mij aan de deur wier ogen bijna uit hun kassen vielen van de speed.

De woordvoerder Henk en zijn compagnon Martin.

 

"Ik ben Henk, ik had 11 jaar en TBS en ik maak van Venlo Venblow!"

En jij komt spelen voor reiskosten." Ik fronste, zei niets en hij ging verder:

"Jij speelt voor reiskosten," en kletste een plaat van een half pond hasjiesj op tafel. "En als je komt spelen ligt er nòg zo een voor je klaar!"

"Ik kom spelen voor reiskosten" zei ik met een lach en dat was het begin van een jarenlange vriendschap met Henk, te vondeling gelegd op zijn 4e, alles meegemaakt waar 'n mens maar in kan verzeilen en uiteraard een hart van goud!

 

Waar?

Nou dat was nog niet bekend, ze hadden nog geen Jongerencentrum (koffieshops bestonden niet in Venlo) maar dat kregen ze binnenkort van de gemeente.

Het was nog wel niet toegezegd, maar daar zouden ze zelf even vaart achter zetten.

Hoe?

Nou, ze zouden met het gezamenlijke blowvolk in de hal van het stadhuis gaan zitten blowen tot ze een centrum kregen...

 

Ik vroeg me af of daar wel iets van terecht zou komen maar na enkele maanden werd ik gebeld voor het optreden. Ze hadden twee weken lang elke werkdag de stadhuishal bezet met zo'n tachtig blowende Venlonaren.

Ik kwam binnen de bewuste avond en werd verwelkomd met een plak hasjcake, die werd afgesneden van een tien meter lange cake, uitgestald op een verlengde marktkraam in de hal, voor die gelegenheid gebakken door de meisjes.

 

Zijn eerste echte koffieshop (maar Henk noemde het stug Theehuis) opende hij in de Keltenstraat, een prachtige naam om zo'n heidense tent in te openen, en om de kraaksfeer hoog te houden werd er meteen een eetclub opgericht waarvoor je kon inschrijven; soep, hoofd en toet voor vijf piek.

De naam eetclub Valuhasj was een knipoog naar Restaurant Valuas in de gelijknamige stad waar de patsers uithangen (en Venlo hééft wat patsers!)

Toen de shop weer eens (tijdelijk) gesloten werd wegens burengerucht of andere APV shit werd de eetclub verplaatst naar de openbare weg en midden op straat vóór het theehuis werd om vijf uur een lange tafel geïnstalleerd zodat het plaatselijke verkeer werd gestremd door de etende en bedienende mensen. Na drie buitensessies was theehuis Nobody's Place weer open.

 

TWO OF EUR KIND

Toen het contact met Nobody's Place door interne verschuivingen wat verwaterde werd ik in contact gebracht met een andere Venlonaar die een koffieshop runde aan de Maaskade. De bevriende dealer waarvan ik mijn hasj betrok was een druk baasje wat ik niet altijd kon bereiken en hij verwees mij naar koffieshop Bon Jovi voor blow.

Ik hing er al geruime tijd rond, speelde weleens in de shop waar ik duetjes zong met Walter, de barman die een natuurtalent bleek te zijn of in de aangrenzende Blues Bar toen Fried zich liet ontvallen dat hij een studio financierde.

Ik zei dat ie dat wel eens eerder had kunnen zeggen en vroeg of ik geen plaat kon maken. Dat wilde hij ook wel financieren.

 

Dus dook ik de Iris studio in die gerund werd door Wim Kaufman die ooit in Decennium gespeeld had en begon aan een dubbelCD die de titel Two Of Eur Kind moest krijgen. "Eur" stond voor het Engelse Europe oftewel Europa ipv "Your". Daartoe zeulde ik mijn gehele muziekapparatuur; orgels, gitaren, effectpedalen en tassen vol kabels met de trein naar Venlo. En ik nam op. Speelde alles zelf voor de eerste keer. Alleen gebruikte ik voor enkele liedjes het groot Bon Jovi koor, wat een feest op zich was. Blowend inzingen met een Internationaal gezelschap.

 

Toen het spul klaar was wilde ik eerst een miniCD uitbrengen, wat Fuck The Blues werd, tezamen met l'Europe en Was Ik Maar President.

(Fuck de blues was weer een uitspraak van Omar die muziekcafé de Pyramide in Roosendaal runde en zich ergerde aan al die downe teksten die zijn muziek/blowgelegenheid des weekends overspoelden.)

Hoera, ik had weer een plaat na jaren!

Toen ik Fried echter vroeg ook een DubbelCD te bekostigen zei hij: "Ik heb 1500 gulden studiotijd betaald, je kunt de banden van alle songs zó meenemen maar een plaat uitbrengen doe je zelf maar!"

Het duurde 2½ jaar voordat ik de pegels bij elkaar gespaard had, mede geholpen door Ronnie en Aziz van de Eurogarden (Shiva zij geprezen!), en wat 2 Of Eur Kind had moeten worden werd One Of Eur Kind. In 7 talen. Bam!

 

FAROEK

En als ik met de trein 's avonds thuiskwam te E. wandelde ik op mijn gemak naar Theehuis Faroek, voor het laatste nieuws. Ik kende Faroek sinds mijn achttiende toen ik voor het eerst goeie Turkse hasjiesj bij hem kocht.

Faroek hield het nieuws nauwkeurig bij, binnen èn buitenlands. Hij kende zo'n beetje alle wereldleiders bij naam, opmerkelijk voor een Nederlandse Turk van middelbare leeftijd, en voor de meesten had hij een bijnaam. Had hij het over de gek, dan wist ik dat hij Kolonel Gadhaffi van Lybië bedoelde, Özal, president van Turkije noemde hij de boer, Sadam Hussein de maniak, Yasar Arafat de aap en Clinton de snotneus.

 

Hij had een grote bewondering voor Gorbatsjow en zijn minister van buitenlandse zaken Chevarnadze die hij Cheverazade noemde (een knipoog naar 1001 nacht) en Boris Jeltsin was een zatte, slappe lul.

Faroek woonde in een gewoon hoekhuis in een notoire buurt van E. waar het deurraampje altijd openstond zodat je met je arm door het op borsthoogte zittend venstertje nèt bij het slot kon. Zowel Faroek als ik waren honden (chinees astrologisch), de trouwe onrustige wakers.

 

Talloze mensen kwamen bij hem eten. Turken, Marokkanen, Spanjaarden, Grieken, Tunesiërs en Hollanders uit alle windstreken.

(Het lied Farouk op de 3CD box gaat over hem)

Thuis had ik al geen TV meer, maar Faroek vond dat het ding aan moest, al keek hij zelf alleen naar het nieuws; Nederlands, Turks en Engels en zat hij meestal Taula te spelen (backgammon), stond hij in de keuken of bouwde een joint.

 

Daar heb ik in die tijd heel wat nachten doorgebracht onder het genot van een turkse tosti met uitgebreide salade, köfte met rijst of witte bonenschotel, bladerdeeg met nootjes (kikkererwten) en verse rode peper, çasik, dolma, imam bayildi, pizza wat zij pide noemen, of gebakken aubergines, tomaten en pepers (zij familie van elkaar) want ook Faroek hield van heet. Faroek had een buitenkasje waarin hij drie oogsten per jaar kweekte, zijn onvolprezen vogelwiet, waar ik in de Highlife een rubriekje aan wijdde, getiteld; wietkweken voor kleinbehuisden en smalle beurzen. En hij werd nooit moe. Hij ging nooit voor 6 uur slapen, en hij zou nooit een gast wegsturen.

 

DE GIGS PER TREIN

Omdat ik ook ging optreden met de trein schafte ik de ANWB hotelgidsen van de Lage Landen aan.

Mijn uitrusting bestond dan uit gitaarkoffer en een tas met harmonica's PLUS beugel, loads of snaren en een capo, toiletspullen, wereldontvanger (de BBC Worldservice ging overal mee naartoe) en een goed boek, later werden er nog verscheidene ietums aan toegevoegd, waarom zal zodadelijk blijken.

Alleen vier- en vijfsterrenhotels kwamen in aanmerking omdat die een nachtportier hebben, de vijfsterrenstulpjes óók 24 hour roomservice (uitgebreid dineren op je kamer om half vijf 's morgens na gespeeld te hebben in de Sticky Fingers in de Koestraat te Maastricht, het straatje waar ik alle cafés ooit bespeeld heb, slapend in de "Mick Jagger kamer" in hotel Derlon, wat een luxe!)

 

Helaas waren de meeste steden geen 5 sterren hotels rijk en 4 sterren heeft zelden roomservice, daar ben je aangewezen op de minibar die beperkt is tot nootjes, chocolade en chips en genoeg booze voor een week maar dat is aan mij niet besteed.

 

De volle ernst van die omstandigheid drong tot mij door 's morgens om half vier in motel Akersloot, waar ik logeerde nadat ik gespeeld had in de buurt en waar ik de nachtportier vroeg of er nog wat te kanen viel.

Op het optreden had men mij verzekerd dat dat het geval was, maar toen de portier naar een vitrine wees die vol lag met chocoladebollen, appeltaart en slagroomgebakjes vervloekte ik mijzelf dat ik op locatie, waar ook een cafetaria bijhoorde, niet wat hartig junkfood had meegenomen.

Ik ben nl niet zo zoet van huis uit, maar ik had geen keus.

Ik koos voor een boterkoek die ik op mijn kamer voor driekwart verorberde met een flesje Spa tot ik moest kokhalzen en zwoer dat ik voortaan mijn eigen eten meenam. Dat bestond uit bio-boterhammen met tahin (sesampasta; kun je goed van denken!) en bio-kaas, een bio-appeltje en een bio-eitje.

 

In de meeste 4-sterren hotels kon je wèl theezetten op je kamer en dan voelde ik mij 's nachts de koning te rijk met mijn vertrouwde BBC (de TV stond in de tuin weg te kwijnen en ik luisterde nooit meer naar andere zenders, brrr...) met uitzicht op zee bij De Milliano in Breskens of uitzicht op het bos in De Eese bij Steenwijk of uitzicht op het nachtelijk haventafereel van Vlaardingen in het Delta hotel, gezeten aan mijn bureautje waar ik een nieuw lied schreef.

 

En toen die kerstavond dat ik een optreden had in Horst Hegelsom. Met de trein naar Station Horst Sevenum waar ik aankwam rond half 10 op een gesloten station. Ik wilde een taxi bellen maar de telefoon hing in de stationshal en aangezien mobieltjes nog bijna een kilo wogen en 2000 euro kostten was ik zo'n ding niet rijk. Er zat dus niets anders op dan de reis te voet voort te zetten en hoe dat ging heb ik verwerkt in mijn anderhalfuursrap waarvan hier een fragment.

 

George Orwell ik loop met jouw Down and out in Paris and London in mijn tas...

Wat ben je heavy kost, nog drie kilometer

Mijn gitaar wordt zwaar, ik verklein mijn pas

In de verte prikken de straatlantaarns

Door het duister van de koude kerstnacht heen

De bussen staan alweer even op stal

En ik heb geen keus want ik ben alleen

 

Ik moet naar Horst, ik speel bij Fenix

Ik bel voor vervoer bij een hoeve aan

Fucking Christmas, waarom werkt er niemand

Waarom laat je me in the middle of nowhere staan

George Orwell, je gebonden versie drukt zwaar op mijn schouder

Maar straks na het spel

Heb ik jouw leeskost voor het slapengaan

En na die decibellen dig ik dat wel

 

Eerste Kerstdag, een spierwit bureautje

De radiotijd wijst vijf punt nul twee

Ik zit hier tussen mijn travelzootje

En het waait dat het barst maar daar zit ik niet mee

 

Bij Fenix waar ik vanavond was

Ben ik weer uit de as opgestaan

En voordat ik mijn tenen was

Zal ik de minibar eens openslaan

(Om te kijken of er ook Spa zou staan)

 

Ik reserveerde de hotels natuurlijk telefonisch vantevoren, wel zo wijs, want als ik voor de eerste keer met mijn tronie aan de balie stond werd ik door hotelgasten en personeel soms behoorlijk achterdochtig aangegaapt.

Meestal zorgde ik ervoor dat ik bijtijds incheckte zodat ik nog wat speling had om mij te installeren voordat ik een taxi nam naar de plaats des onheils.

En in elk hotel waar ik vertoefde ging ik niet slapen voordat ik een liedjestekst had gemaakt.

 

In de Draak te B op Zoom schreef ik "700 Jaar overspel onder de balken."

De volgende morgen vroeg ik de hoteleigenaar, die een fan van mij was en de eerste keer trots mijn elpees liet zien, hoe lang het hotel er al stond om te checken of mijn tekst klopte.

Hij verzekerde mij dat het hotel er al stond vóór de grote brand van 1246

en dat hij de Amerikaanse gasten altijd vertelde:"Columbus slept here!"

 

Het was ook in die tijd dat de Golfoorlog plaatsgreep.

Hoe bang Nederland toen was staat mij nog duidelijk voor de geest.

De Utrechtse taxi's die aan de Jaarbeurskant parkeerden, omdat daar geen hoogbouw was en omdat ze natuurlijk het eerst Station Utrecht zouden opblazen, het optreden in De Vrije Vloer aldaar waar de Amerikaanse DJ niet kwam opdagen omdat hij niet durfde te vliegen vanwege het risico. De International Hotels waar ik logeerde, alléén, 80 kamers, leeg parkeerterrein, 5 man personeel.

Maar dat duurde gelukkig niet te lang.

 

Eveneens in de trein dat ik de grote liefde ontmoette.

Maar eerst het voorspel.

Spelen in Eureka in Zwolle, het was 9 april 1994.

Eureka was een gekraakte school in het centrum van de stad.

Ik kende Zwolle al van Hedon en Suisse waar ik wel eens speelde maar hier zat ik echt tussen gelijkdenkenden.

Die avond heb ik 4 uur staan te spelen, sindsdien geen uitzondering meer.

Wat ik altijd zo knus vind van kraakpanden is dat je er vogels van allerlei pluimage tegenkomt, van rasta's tot gabbers, van hippies tot anarchopunkers

Om twaalf uur was ik jarig. En precies op dat tijdstip sloot ik mijn eerste set af, toen er enkele jongelui naar het podium kwamen die mij een taart aanboden waar met gekleurd suikerlint opgeschreven stond;

Flowerpower, congratulations!

En op de taart stonden 48... nee geen kaarsjes; PADDO'S!

 

"Zo, dat is nog eens wat anders dan de verjaardag vieren in de huiselijke kring; wie wil er een stukje taart, met of zonder paddo!!" zei ik voordat ik van het podium afstapte.

De volgende dag, op mijn verjaardag, stapte ik in Zwolle in de trein en daar ontmoette ik Marrit, op weg naar Hilversum waar zij woonde.

Ik gaf mijn telefoonnummer en zei dat ze me gerust kon bellen waar ik optrad.

Ik werd wel door meer fans gebeld aangezien ik nog geen site had en sporadisch mijn optredens doorgaf aan de verschillende concertagenda's. Hoe het verder ging kun je straks horen op de tripelpee.

 

d'n AB 

 

En zo naderde het optreden in de aloude poptempel van Brussel, de Ancienne Belgique (het Oude België)

Van E. met de trein naar Brussel, een grotere omweg bestaat niet.

Overstappen in Breda èn Roosendaal voordat je Brussel Midi op de trein ziet staan. Koffiedrinken in Brussel bij Falstaff, het mooiste café van België met spetterend glas in lood met meubilair recht uit het antiquiteitenkabinet en echte obers in wit en zwart.

's Avonds eten bij een restaurantje in een straatje wat meer lijkt op een Marokkaanse Kasbah.

 

D'n AB, een reusachtig gebouw met meerdere zalen. Overal aan de muur afbeeldingen van artiesten die er hebben opgetreden; Jacques Brel, Jimi Hendrix, Juliëtte Greco, Charles Aznavour, Santana, Pink Floyd, Myriam Makeba, Eartha Kitt, Edith Piaf en Toon Hermans om er maar een paar te noemen.

 

Luc, degene die het optreden geregeld had wat werd uitgezonden door de (toen nog) BRT was als de dood dat ik niet op tijd aanwezig zou zijn en had met ons afgesproken dat hij Marrit en mij op zou halen bij het hotel die morgen.

 

It was a beautiful day dus besloten we zijn komst niet af te wachten maar door het Brusselse naar den Abee te flaneren. ("Flaneren is een wetenschap; het is de gastronomie van het oog," heeft eens ooit een levensgenieter gezegd)

Toen kwam Luc hijgend aanhollen. "Ik dacht dat je de trein terug genomen had!"

Het zou niet de eerste keer zijn dat ik mij bedacht.

Maar ik had besloten de boel weer eens goed op stelten te zetten.

Toen ik een paar liedjes gespeeld had voor een bomvolle zaal zei ik:

"Hoewel alle groten der aarde op dit podium hebben gestaan, beleven we nu een historisch moment."

 

En ik stak de chillum aan. Er ging een "Oooh" door de zaal alsof men vuurwerk nakeek wat de lucht in suisde en ik blies mijn enorme rookwolk recht in de lichtste spot.

Na het optreden kreeg ik van verschillende (jeugdige) kanten complimenten voor de rook maar het duurde nog een half jaar voordat ik de omvang van het gebeuren bevatte.

Ik speelde in Deerlijk bij Kortrijk en fans van daar waren ook in Brussel bij de opnames geweest.

Vlak voordat ik opkwam had de presentator de burgemeester en de hoofcommisaris van politie van Brussel verwelkomd op de eerste rij.

 

Pas toen begreep ik waarom zoveel mensen naar de eerste rij keken ipv naar mij.

 

DE KARRE en haar Karrespoor

Iets dergelijks speelde zich eveneens af in Steenwijk met de plaatselijke burgemeester.

In Steenwijk speelde ik sinds jaar en dag om het jaar wel eens een keer.

Dat was begonnen toen de boeren van Tuk mij in hun stamcafé de Karre wilden laten optreden, maar toen de eigenaar in de gaten kreeg dat ik blowde, zei hij GEEN DRUGS IN MIJN CAFÉ!

 

De plaatselijke fans besloten het daar niet bij te laten zitten en maakten een deal met de plaatselijke tekenleraar Dicky Woets om zijn weilandje te gebruiken.

Er werd een feesttent gehuurd en ik speelde voor 1200 man publiek ipv voor het kroegje. En het bleek voor herhaling vatbaar.

Zo ontstond het Dicky Woodstock Festival, waarvoor ik dus -niet zonder enige trots- verantwoordelijk ben en in het tiende jubileumjaar (dit jaar de 18e!) werd ik aangekondigd door de burgervader die de meute vertelde dat zij het Dicky Woodstockfestival aan ondergetekende te danken hadden.

Toen hij van het podium kwam met zijn burgemeestersketting met gildeplaatjes aan, stelde hij zich voor met "Hallo, ik ben Gerrit" en ik zei:"Ik ben Herman, als ik muziek maak heet ik Armand en als je wat wilt kopen moet je bij Rooie  Manus zijn." Folkert die achter mij stond mompelde "1-0 voor Brabant!"

Later op het podium corrigeerde ik hem met :"Je hebt dit niet aan mij te danken maar hieraan!!" terwijl ik mijn chillum omhoogstak en een vette blow nam.

 

Maar nu de geboorte van Mannenkoor Karrespoor

Ik speelde in Leeuwarden.

Enkele dagen vantevoren werd ik gebeld door Boer Folkert, die mij vroeg of ik op zien verjaordag wilde koom'n speel'n.

"Ik sta die avond al in Leeuwarden!" liet ik weten.

Hij vroeg hoe laat ik daar afgespeeld was, dan kon ik een taxi nemen naar Steenwijk/Tuk om ook nog een moppie te plegen bij hem in de schure.

Voor zo'n honderdvieftig, honderdzestig man...

 

Nadat ik had opgetreden, eindelijk een keer met Eddy Christiani, de zanger die veel liever gitaar speelde die inmiddels 73 was en mij zijn wijnrode, semi akoestische Gretsch, gekregen van Chet Atkins (who the fuck is Chet Atkins?) met opdracht op de slagplaat, liet vasthouden (ik durfde er niet op te spelen) vertrok ik met de cabby om half een naar Steenwiek.

Na met 12000 watt in de schure de boel te hebben vermaakt en ik wachtte in de boerderië op een taxi naar het hotel liet hij mij een plaatje zien, een singeltje wat ze "voor de ouwehoerderij" even gemaakt hadden.

"Geef er eentje mee voor de buurkids!" zei ik.

 

Totdat ik twee maanden daarna op Texel speelde en de halve boot ineens aanhief: "Dat is mooi, mooi, mooi man, het leven dat is een groot feest!"

Ik geilde, ze hadden het gemaakt met hun "voor de ouwehoerderij"!

Ook maakten zij een parodie op mijn kreet NO BLOW, NO SHOW wat werd ZONDER DRANK GEEN KLANK

 

En natuurlijk ging het ook wel eens echt mis!

Ik had gespeeld in Cadzand, in de Big L. in Zeeuws Vlaanderen,

logeerde in De Milliano te Breskens en zag het veer naar Vlissingen wegvaren.

Ik dacht ik neem de volgende over een half uur maar het was Pasen en die ging dus niet. Om het uur op feestdagen. En om kwart over vijf moest ik in Bovensmilde onder Assen zijn. Ik vroeg aan het loket in Vlissingen hoe dat moest maar ik kon op zijn vroegst om half 8 in Assen zijn... en dan nog naar Bovensmilde!

 

Dan maar de trein tot Zwolle (waarin ik Lenny Bruce citeerde "I gotta be there,

I GOTTA FUCKING BE THERE!!) en verder een taxi.

En ik moest ook nog om 21:00 uur optreden in Eibergen in de Achterhoek!

Ik maakte een deal met de taxichauffeur en wij togen naar Assen. We reden in een aftandse Chevrolet, ruim maar oncomfortabel door het feit dat het automatische raam niet wilde sluiten. De ruit was gewoon in de deur gevallen.

Om 6 uur reden we het feestterrein op, ik deed mijn ding en om half 8 stoomden we door naar Eibergen ("Ik heb het raam gefixt!").

En toen bleef er niet zoveel meer over.

 

Terugkijkend moet ik een woord van dank richten tot mijn ouders en mijn geliefde zus die mijn was deden en mijn boodschappen haalden.

Toen e.e.a. door omstandigheden niet meer mogelijk was schonk mijn zus mij haar autootje, wat ik in eerste instantie weigerde.

"Okay, ik heb er geen tijd meer voor, dan haal je je boodschappen maar met de taxi!"

In tweede instantie reed ik dus weer auto.

 

De conclusie na 8 jaar trein, bus en taxirijden...

De trein is accuraat, vergeleken bij het filegebeuren. Het voordeel hartje stad - hartje stad mis ik weleens.

Helaas geldt dit alleen voor de randstad. Uiterlijk rond het uur van twaalven houdt de trein het voor gezien in de rest van het land.

En nu schiet me het station van Winschoten weer in gedachten. Ik had opgetreden en logeerde in het hotel tegenover de statie waar ik om tien uur uit bed werd getrommeld omdat het hotel om elf uur sloot en pas weer opende om 18:00 uur.

Op mijn vraag of ik in het hotel kon wachten op de trein werd negatief geantwoord.

 

Buiten lag er sneeuw, het vroor 3 graden en er stond een ijzige Oostenwind.

En het station was gesloten.

Nog ruim een uur wachten op de trein, tezamen met een moeder en twee kids van een jaar of zes, zeven waarmee ik drie kwartier tikkertje gespeeld heb op het perron om warm te blijven.

 

Dan het busvervoer.

Traag, slecht georganiseerd en vreselijk infrequent.

 

Taxi's, wel...

Dat je 's nachts uitsluitend afhankelijk bent van taxi's wat in de praktijk betekent dat je met de dorpse Mazdadealer die ook een taxi runt, in half beschonken toestand naar een stad gereden wordt waar je hotel zich bevindt wat hij niet kan vinden en voor 30 piek omrijdt.

 

Kortom, werk je niet op gangbare tijden is openbaar vervoer peperduur!!

 

En (dit hoort er niet bij) wat die gangbare tijden betreft; het is toch te absurd voor woorden ('zelfs de president is een gestoorde' om met Knarf mee te zingen) dat iedereen op dezelfde tijd naar en van zijn werk gaat. Als ik 's nachts van mijn gig terugrijdt kom ik soms kilometers niemand tegen!

 

Weet je wel hoe leeg de Lage Landen zijn?! En hoe móói als het licht wordt in het Oosten, de ontluikende dageraad op de Veluwe of in de Vlaamse Ardennen... met een boterhammetje en een blowtje?

(Ik noem maar een dwarsstraat)

 

                                        -o-o-o-o-o-o-o-